Middeleeuwse monnik correct geïdentificeerde planetaire samenstelling 800 jaar geleden

7

Acht eeuwen vóór de moderne astrofysica concludeerde een Dominicaanse monnik aan de Universiteit van Oxford, Richard Fishacre, nauwkeurig dat planeten en sterren dezelfde materiële samenstelling delen als de aarde. Zijn werk daagde het heersende aristotelische geloof uit dat een duidelijk ‘vijfde element’ hemellichamen vormt – een concept dat destijds algemeen werd aanvaard.

Het oude dogma uitdagen

Eeuwenlang vóór de inzichten van Fishacre was de Europese wetenschap van mening dat het aardse rijk was opgebouwd uit vier kernelementen: vuur, water, aarde en lucht. Men dacht echter dat de hemelen uit een afzonderlijke, perfecte en transparante ‘kwintessens’ bestonden, onaangetast door aards verval. Dit geloof kwam eerder voort uit de filosofische traditie dan uit empirische observatie.

Fishacre’s doorbraak

Fishacre redeneerde dat als hemellichamen werkelijk uit dit etherische vijfde element bestonden, ze met het blote oog transparant zouden lijken. In plaats daarvan observeerde hij verschillende kleuren: de rode tint van Mars, de gele gloed van Venus en de blauw- en wittinten van de maan. Hij betoogde dat deze kleuren bewezen dat sterren en planeten niet uit een uniforme, transparante substantie bestaan, maar eerder uit een mengsel van elementen die op aarde voorkomen.

Zijn argument was gebaseerd op een basiskennis van hoe licht interageert met materie. De zichtbare kleuren gaven de materiaalsamenstelling aan, een principe dat later de spectrale analyse in de moderne astronomie zou ondersteunen.

Historische receptie

De ideeën van Fishacre stuitten in zijn tijd op weerstand. Het diepgewortelde filosofische raamwerk van die tijd was niet gemakkelijk geschikt voor zijn bevindingen. Toch klopte zijn redenering, en eeuwen later bevestigde spectroscopie zijn vermoedens: planetaire atmosferen zijn samengesteld uit elementen als waterstof, helium, koolstof en zuurstof – dezelfde die op aarde voorkomen.

Het werk van Fishacre laat zien hoe vroeg wetenschappelijk onderzoek, zelfs binnen de beperkingen van het oude denken, tot correcte conclusies kon komen door middel van zorgvuldige observatie en logische gevolgtrekking.

Zijn vergeten bijdrage herinnert ons eraan dat wetenschappelijke vooruitgang niet altijd lineair verloopt, en dat zelfs middeleeuwse geleerden moderne ontdekkingen met verbazingwekkende nauwkeurigheid konden anticiperen.